De stelling

De stelling waarmee ik mijn scriptie afsloot luidde:
‘De beperking van het aantal letters in het Nederlandse alfabet noopt mij tot het in verkorte vorm weergeven van de vereiste conclusies en aanbevelingen, aangezien ik mij niet in staat acht om in slechts zesentwintig letters de juiste woorden te formuleren.’ 

De examencommissie oordeelde unaniem dat een stelling geacht wordt kort, doch vooral prikkelend te zijn en waardeerde derhalve de lengte daarvan als ruim voldoende, terwijl de prikkel van de stelling op de leden van de commissie, voor wat betreft de beoordeling daarvan althans, slechts als matig werd ervaren. Voor mij de bevestiging van de noodzaak om het alfabet met meerdere letters uit te breiden. Niet als doel maar wél als middel. 

Twee

Mijn collega studeerde een paar jaar door en werd psycholoog. Ziekenhuispsycholoog om precies te zijn. Onze wegen scheidden zich. We leefden in wat andere werelden hoewel Utrecht nou ook weer niet het einde van de wereld is voor wat betreft de bereikbaarheid. Integendeel, maar soms lopen levens zo. Ik zag haar man op een, voor mij verplicht te volgen, symposium. Haar man zei tegen mij: ‘Man och man, dat weet je toch allemaal al, we gaan iets eerder weg want de syllabus ligt bij de uitgang en dan kunnen we met de sneltram naar Utrecht want van dat zalencentrum hier word ik ook niet echt vrolijk.’ Wij ‘vatten post’ op een terrasje in het centrum van Utrecht. Zijn vrouw was er een halfuurtje later waarna hij vertrok om te gaan sporten naar ik meen. Nou, en toen zaten zijn vrouw en ik met z’n tweeën op dat terrasje in het centrum van Utrecht en dát heeft later nogal wat stof doen opwaaien en dat stof had niets te maken met opwaaiende zomerjurken dan wel met een andere boektitel. Dat stof had te maken met het feit dat iemand mij, met een hem onbekende vrouw, op een terrasje had zien zitten maar kennelijk niet had ‘meegekregen’ wat er zich later op die dag nog heeft voorgedaan nadat ik volledigheidshalve de syllabus van het symposium had bestudeerd.

Knettersnoepjes

Meer huppelend dan wandelend kwam zij naar mij toe. Zij was samen met drie vriendinnen in het dorp. Het was koopavond en de sfeer was gemoedelijk. Ik liep in gedachten verzonken door de winkelstraat van Ermelo. Tijdens diezelfde koopavond. Nét voor vijf december in het jaar 2001. Plotseling huppelde ze uit de vriendinnenrij en na: ‘Dag meneer, ik heb knettersnoepjes’, pakte ze mijn linkerhand en draaide die in de ‘ontvangstand’ om te delen van haar knettersnoepjes. Zij was acht jaar oud, misschien nét negen. Voor ik het wist was mijn hand gevuld met knettersnoepjes en kon ik, gezien haar vragende blik, niet anders dan de knettersnoepjes in mijn mond stoppen. Tussen het geknetter door vroeg ik haar waarom ik van haar snoepjes kreeg omdat ik haar niet dacht te kennen. Zij antwoordde dat ik haar op de zondag voorafgaand aan de koopavond op het station had opgevangen. Het was om tien voor negen vertelde ze. Ze vertelde mij ook dat ik haar moeder had gebeld met de vraag of haar moeder naar het station wilde komen om haar daar op te halen, omdat ze heel erg in de war was van wat er was gebeurd bij de spoorwegovergang en dat zij het misschien wel had kunnen voorkomen dat iemand die stond te wachten voor de gesloten overweg, plotseling uit de rij wachtenden stapte nét voordat de intercity van Zwolle naar Amersfoort met grote snelheid aan kwam rijden. Zij had er vlak naast gestaan.

Ik kon haar alleen maar zeggen dat er dan twee slachtoffers te betreuren zouden zijn geweest en ik heb haar dat kúnnen, en ik heb haar dat mógen uitleggen. Daarna heb ik haar gevraagd hoe het kon dat zij mij, in een toch redelijk druk koopavondpubliek, had weten te herkennen. ‘Ach meneer, van iemand die je als eerste ziet na een nare ervaring vergeet je het gezicht je hele leven niet meer’, was het antwoord dat zij gaf zonder erover na te denken.

Huppelend vervolgde zij samen met haar vriendinnen haar weg. Zij was acht jaar oud, misschien nét negen. Ik was zesenveertig. En we aten samen knettersnoepjes terwijl we terugkeken op een drama. Knettersnoepjes hebben het drama niet weggenomen of minder erg gemaakt. Knettersnoepjes hebben geholpen om het er nog even over te hebben. Niet te lang, maar toch! Zij is nu vierentwintig, misschien nét vijfentwintig. Een jonge vrouw die op heel jonge leeftijd de gave had om een traumatische ervaring bespreekbaar te maken. Met behulp van knettersnoepjes. Op een heel natuurlijke manier. Door ze te delen. Niet alleen de knettersnoepjes. Vooral haar gevoel. En ook daardoor gaf zij aan mij de mogelijkheid om iets af te sluiten. Even een paar minuten buiten de vriendinnenkring. ‘Want die waren er niet bij meneer.’ En daarna? Daarna vervolgde zij samen met haar vriendinnen haar weg. Huppelend. Ik schreef het al …

Naar beneden

Het voelde nederig om de kerk te betreden via een trap die naar beneden gaat in plaats van via een trap die omhoog gaat, althans zo ervaarde ik dat. Ik kreeg en voelde omgekeerd kippenvel bij het afdalen van de trap. Omgekeerd kippenvel als gevolg van de volkomen tegengestelde sensatie, die zo geheel anders was dan die ik had wíllen beleven voordat ik het kerkorgel ging bespelen ‘bij gelegenheid ener huwelijksvoltrekking’, zoals op de liturgie was afgedrukt.
Vannacht droomde ik over de kerk en over de trap. De trap die naar beneden leidt in plaats van naar omhoog op een vrijdagmiddag waarop ener huwelijksvoltrekking zou plaatsvinden en bij gelegenheid waarvan, op hele noten, uit de berijming van het Genootschap ‘Laus Deo, Salus Populo’ het derde zangversje van psalm 134 tijdens de prediking uitvoerig d’aandacht kreeg. Ik paste op ingetogen wijze het orgelspel aan en ik werd gerust bij de gedachte dat tijdens het verláten van de kerk de trap naar omhoog zou leiden en dat dat laatste wellicht het leidmotief zou kunnen zijn. Het kán wel. Eerst naar beneden en vervolgens pas naar boven. Zeker kan dat, hoewel het huppelen van zielenvreugd soms tot nader order wordt uitgesteld, dat laatste afhankelijk van de lengte en de duur van de dienst, al dan niet ‘bij gelegenheid ener huwelijksvoltrekking’, zoals op de liturgie was afgedrukt.

 

Juf, wil je met me trouwen?

Het zal op of omstreeks 4 mei 1959 zijn geweest. Ik weet dat niet precies meer, maar ik was vier jaar geworden en werd daarom geacht de kleuterschool te gaan bezoeken. Sterker nog: dat móést zelfs. Mijn moeder bracht mij. Ik was thuis wel redelijk voorbereid op hoe het er op de kleuterschool aan toe zou gaan. Jongens in de autohoek en meisjes in de poppenhoek en verder eveneens een volkomen celibataire gescheidenheid voor wat betreft de omgangsregels op het schoolplein. Nadat mijn moeder mij had gebracht draaide zij zich om en liep zij bij de kleuterschool vandaan, terwijl ik in een tamelijk geestelijk verwarde gesteldheid achterbleef.
Tijd om een strategie te bepalen. Ik was niet het slimste jongetje van de klas. Ik was wel het kléínste jongetje van de klas. Ik richtte mij volledig op de kleuterjuf, nadat ik had vastgesteld dat ik door mijn moeder als het ware verlaten was, dan wel gevoelens van soortgelijke aard had gekregen. Naar mijn stellige overtuiging zou ik met de juf trouwen en wellicht zelfs kinderen met haar krijgen hoewel dat laatste mij niet helemaal helder meer voor de geest staat, maar dát terzijde.
Na enige tijd kwam het bericht dat mijn kleuterjuf zou gaan trouwen en dat bericht bevestigde natuurlijk mijn voornemen. Ik moet wel de allergelukkigste mens op aarde zijn geweest nadat ik hoorde dat ook de juf wilde gaan trouwen. Pas veel later hoorde ik met wíé.
Ondanks de zachte drang die op mij werd uitgeoefend om toch vooral mee te gaan naar de receptie ter gelegenheid van het huwelijk van de juf, weigerde ik dat pertinent. Heel stoer hield ik mijn conceptionele liefdesverdriet vóór mij en ik heb dan ook in het openbaar níét gehuild. Ik heb níét gehuild van boosheid vanwege de man die mijn kleuterjuf kaapte, maar ik verzeker u dat mócht ik hem ooit nog eens ontmoeten, ik een pittig gesprek met hem níét uit de weg zal gaan. Ik ben al bijna negenenvijftig jaar moed aan het verzamelen en zal u op de hoogte houden van het vervolg. Ja, dát beloof ik!

Juf, wil je met me trouwen?

Hartelijke groet,
Hans Oud.

Beter worden

Kinderen met lage cijfers op hun schoolrapport worden gestimuleerd beter hun best te doen. Dat doen zij echter al. Om beter te worden doordat zij leren mens te zijn. Dat laatste duurt een leven lang en wordt niet ingegeven door de drang om een hoog cijfer te halen. Het wordt ingegeven door de behoefte om het beste van zichzelf te geven en daarbij voldoende over te houden om zelf gelukkig te blijven. Ziedaar het mooist denkbare rapport.

Met andere ogen kijken

In de bibliotheek

Meestal lees ik de krant in de bibliotheek bij het wijkcentrum, als mij die kans wordt gegund althans. Want er zit heel vaak een wat oudere man aan de leestafel. De man is al bijna zestig jaar schat ik. Zelf ben ik in de maand mei van het jaar 1955 geboren dus behoor ik nog tot de wat jongere generatie, maar dit terzijde.

Die wat oudere man heeft altijd de hele stapel kranten in beheer, terwijl hij in één van de kranten de kruiswoordpuzzel aan het oplossen is. En als ik dan vraag of ik misschien wellicht even een krant mag lezen gaan zijn neusvleugels trillen en maakt hij zich fysiek heel groot. Dan loop ik maar weg want om nou om een krant te gaan vechten in de bibliotheek bij het wijkcentrum…

Vorige week was ik in de buurt van de bibliotheek in de stad en kreeg ik een blij gevoel over mij. Ik glimlachte zelfs spontaan want ik had opeens een briljant idee. Ik kreeg het idee om die wat oudere man netjes te ontlopen door de krant te gaan lezen in de bibliotheek in de stad. En jawel hoor, wie zit daar aan de leestafel met een nog véél grotere stapel kranten dan in de bibliotheek bij het wijkcentrum? En weet u wat hij vroeg? Ik wel. Hij vroeg mij waar hij mij van kende want ik had zo’n bekend gezicht. Of ik soms de oudste broer van Herman Finkers was. Nu weet ik bij geval in welke maand van het jaar 1954 Herman Finkers is geboren. Het moet niet veel gekker worden vind ik…

Mirle

Wij zaten naast elkaar op een bankje bij het NS-station in Emmen en wachtten op de bus. Lijn 44 naar Schoonebeek. Ze zag er keurig uit. Had goede omgangsvormen ook. Ze vertelde mij dat ze Mirle heette en ik denk dat zij ongeveer tien jaar oud was. Mirle had een flesje cola in haar ene, en een salmiaklollie in haar andere hand.

‘Zal ik mijn cola en mijn lollie aan die meneer geven?’ vroeg Mirle aan mij. ‘Ik vind hem zo zielig. Wij gooien ons brood dat twee dagen oud is in de vuilnisbak en die meneer haalt dat brood er nu uit. Nou ja, niet hetzelfde brood maar bij wijze van spreken …’

Ik werd stil en heb dat even zo gelaten.

Mirle stapte zonder haar flesje cola en zonder haar salmiaklollie de bus in en bleef in de bus zitten nadat ik uitstapte. Zij keek mij na en zwaaide ingetogen.

Mirle heeft vást op haar facebookpagina vermeld dat delen mag. Mirle weet in elk geval wat delen ís. Haar cola en haar salmiaklollie.

Drie uur en negentien minuten later schreef ik dit stukje. In de sprinter van Arriva van Emmen naar Zwolle en ik denk aan de symboliek van breken en delen. Ik denk aan nooddruft en ik denk aan overvloed. 

Breken en delen.

Geven van cola en geven van een salmiaklollie aan iemand die een vuilnisbak uitpluist op zoek naar ‘iets om te eten.’

Ik ben niet meer aan of met een kerk verbonden, maar anders zou ik vragen of het gebaar van Mirle in het parochieblad zou mogen staan. Of in de kerkbode, maar dit terzijde.

Hulde aan Mirle!

%d bloggers liken dit: