Thuis voor elkaar

Thuis voor elkaar

Wij kunnen voor elkaar een thuis zijn.
Als wij luisteren naar elkaar.
Als wij er mogen zijn zoals we zijn. 
Als verdriet en spanning erkend worden.
Als kwetsbaarheid ruimte krijgt.

Een gebaar, een woord van begrip
kan een thuis scheppen.
Thuis is meer dan een woning.
Thuis is meer dan een tehuis.
Thuis is meer dan een onderkomen.

Thuis is mensen die elkaar verstaan.
Thuis is mensen die elkaar steunen.
Soms is thuis ook dat heimwee,
dat diepe verlangen eens thuis te zullen
komen waar geen pijn en geen verdriet,
geen eenzaamheid en vervreemding meer zal zijn.

Uit: Om levensmoed
Marinus van den Berg
Uitgeversmaatschappij J.H. Kok – Kampen
ISBN 90 242 4469 2
NUGI 312Berusten

Advertenties

De toon

Als ik iemand een verhaal hoor voorlezen luister ik vooral naar de toon die de muziek maakt. Pauzes, accenten, spreekacceleratie, toonhoogte én toonzetting. Zomaar een greep uit alle tools die de mix van elementen zijn om het gevoel te kunnen raken. Een mix van elementen, kennelijk in staat levenskracht te raken tot op zielsniveau. Lezen, vóórgelezen worden en luisteren naar de uitwerking. De uitwerking die manifesteert wat kennelijk verborgen is. De uitwerking van onthulling als balsem voor de ziel? Wellicht. Ik weet dat niet en zal dat ook zo laten vanwege het mystieke van de verwondering.

 
Voorgelezen worden. Niet uitsluitend om wát wordt voorgelezen maar ook omdát wordt voorgelezen. Pauzes, accenten, spreekacceleratie, toonhoogte én toonzetting. Zomaar een greep uit alle tools dan wel de opsomming van een aantal menselijke gaven.

 
Voorgelezen worden.  
Het is als luisteren naar de toon die de muziek maakt. 
Accenten en pauzes en daarbij vóélen dat het goed is.

Puntje

Eerst vroeg de verzekeringsgeneeskundige aan mij of ik met mijn ogen het puntje van haar vinger wilde volgen. Dat ging tot op zekere hoogte goed, dus ik scoorde wel voldoende. Vervolgens vroeg de verzekeringsgeneeskundige aan mij of ik haar wilde helpen om te zoeken naar een lampje dat in het verzekeringsgeneeskundig voorraadkastje zou moeten liggen en met welk lampje de verzekeringsgeneeskundige mijn oren aan een nadere inspectie zou onderwerpen. Hoe de verzekeringsgeneeskundige en ik ook keken, er was geen lampje te bekennen. Daarna heeft de verzekeringsgeneeskundige zónder lampje in mijn oren gekeken en mij vervolgens arbeidsgeschikt verklaard. En echt, ik kón het niet laten om te zeggen: ‘Doch uw ogen zijn zalig, omdat zij zien, en uw oren, omdat zij horen’ (Mattheüs 13:43 en nog wel úít de Statenvertaling). En dat allemaal zo rond kwart voor twee in de middag. Nou, en tóén bloosde de verzekeringsgeneeskundige een beetje. Dat kon ik nog nét zien. Aan het puntje van haar vinger dat ik nog steeds aan het volgen was, maar dit terzijde…

Ter Apel

‘Hij’ liet mij een papiertje zien ter grootte van een A4’tje. Op het papiertje waren wat plaatjes afgedrukt. Plaatjes van treinen en een plaatje van een streekbus.

Kennelijk was hij in Rotterdam op de trein gestapt en voor zover ik begreep was Ter Apel de eindbestemming. In Zwolle zocht hij naar spoor 15 en, naar ik ook begreep, zou hij in Emmen bus 73 moeten nemen. Reisbestemming Ter Apel. Het stond allemaal op het papiertje.

Ik dacht na en probeerde daarna om het goede spoor aan te wijzen. Spoor 15. Helemaal aan het eind van de nieuwe passage onder het treinstation van Zwolle en ik dacht na over de reisbestemming. Over Ter Apel en over de mogelijkheid dat hij alsnog zou kunnen worden uitgezet. Ik dacht ook na over het reisschema zoals dat geschreven was op het papiertje ter grootte van een A4’tje en ik dacht na over de vraag waarom dat reisschema zo ingewikkeld was gemaakt. Vragen te over waar ik het mijzelf misschien te moeilijk mee maakte …

Te laat

Meestal meldde ik mij op tijd present om uit het gedoe te blijven, maar die ene keer was ik te laat. Na aankomst in de kazerne moest ik mij derhalve melden bij de pelotonscommandant teneinde een nadere verklaring af te leggen. Ik vertelde de commandant dat de brug over de IJssel bij Kampen heel lang omhoog had gestaan, omdat er op een onderzeeboot moest worden gewacht die waarschijnlijk vanaf Zwolle onder de brug bij Kampen door zou varen. De pelotonscommandant ging akkoord met mijn nadere verklaring maar voegde toe dat ik vanaf nu beter ’s morgens iets ieder van huis kon gaan om op tijd in de kazerne te zijn, want ‘zoiets zou zomaar vaker kunnen gebeuren.’ Verder heb ik er nooit meer iets over gehoord, hoewel ik er wél heel vaak aan heb gedacht.

Kamer 202

Elke vrijdagmiddag belde ik aan. Eerst door een lange gang lopen waar het altijd naar gebakken vis rook, aan het eind van de gang linksaf en dan nog tien pasjes en ik was er. Elke vrijdagmiddag. Ik bracht haar wat boodschappen uit de drogisterij van mijn ouders. Meestal dezelfde boodschappen. Een buisje Chefarine 4, een blikje Potters Linia of Potters Linea, over de schrijfwijze waarvan tot op de dag van vandaag wordt gesteggeld, en nog wat andere boodschappen die ik mij minder goed herinner.

Elke vrijdagmiddag belde ik aan bij kamer 202. Verder heb ik niets met cijfers maar kamer 202 was een begrip. Daar mocht niemand naar binnen en het was de bedoeling dat de boodschappen in een soort kastje met een doorgeefluik werden gezet waarna ze er door de bewoonster van het zogeheten bejaardentehuis van binnenuit werden uitgehaald en tóch belde ik elke vrijdagmiddag aan, want hoe zou de bewoonster anders weten dat de boodschappen in het kastje met het doorgeefluik waren gezet? Kortom: de instructie was optimaal.

Op een ándere dan élke vrijdagmiddag stond de deur van kamer 202 een stukje open en tóch belde ik aan. Zomaar naar binnen lopen was geen optie volgens mij en dat nog los van de instructie die ik had meegekregen. De deur ging een stukje verder open en ik werd uitgenodigd om binnen te komen. De bewoonster vertelde mij hoe het was gekomen dat zij ‘verder’ nooit met iemand persoonlijk contact had. De bewoonster had een zwaar leven gehad stelde ik vast nadat zij honderduit tegen mij had gepraat. Later leerde ik over begrippen als trauma’s en dergelijke die mensen kunnen overhouden aan opgelopen schokkende ervaringen. Ik ben een aantal jaren elke vrijdagmiddag om exact dezelfde tijd op bezoek geweest en wij praatten over onze gezamenlijke muzikale voorkeur en we praatten over andere zaken het leven betreffende. Over interneringskampen en over de omstandigheden van die kampen. Ik had er geen weet van hoe erg dat allemaal was, tot het moment waarop ik elke vrijdagmiddag aanbelde bij kamer 202 in het zogeheten bejaardentehuis. Ik was altijd precies om zes uur ’s avonds weer thuis. Bij ons thuis werd elke vrijdagavond net als in het zogeheten bejaardentehuis vis gegeten maar dát kwam omdat de vrijdag een zogenaamde vasten en onthoudingsdag was. Op vrijdag mochten katholieke mensen geen vlees eten. Zij mochten wél vis eten en zij mochten ’s avonds ook naar het café maar dat heb ik van horen zeggen, omdat ik nog zó klein was dat ik elke avond om zeven uur naar bed moest.

Elke vrijdagmiddag belde ik aan bij kamer 202. Op die kamer heb ik veel geleerd. Ik heb vooral veel geleerd over de manier waarop mensen beschadigd kunnen worden maar desondanks een hoge leeftijd kunnen bereiken. Sommige mensen zelfs wel meer dan honderd jaar. Ik leerde op kamer 202 ook van kwinten en kwarten en ik leerde wat triolen zijn. Dat laatste had allemaal betrekking op muziek én op onze gemeenschappelijke voorkeur wat muziek betrof. Ik dacht er vaak over na als ik ’s avonds om zeven uur in bed lag want ik stam nog uit de tijd dat de overtuiging bestond dat kinderen op tijd naar bed moesten omdat zij anders kinderverlamming zouden krijgen in welke theorie ik nooit geloofd heb maar dat kon ik mijn ouders maar niet aan hun verstand praten.